donderdag 20 oktober 2016

adjectives and adverbs




Bijvoeglijk naamwoord:
  1. Zegt iets over een zelfstandig naamwoord
  2. Wordt ook gebruikt NA de werkwoorden be, sound, taste, smell, look, feel

Examples:

1. We live in a beautiful house.
  1. We have an intelligent labrador retriever.
  2. Cathy looks beautiful.
    2. The food is delicious

Bijwoord:

Zegt iets over een
  1. werkwoord
  2. bijvoeglijk naamwoord
  3. bijwoord
  4. hele zin
 

Examples:

  1. He plays the piano beautifully.
  2. We have a extremely intelligent labrador retriever.
  3. Cathy looks really beautiful.
  4. Unfortunately, we had to walk home.
     



VORM BIJWOORD

Meestal +LY achter het bijvoeglijk naamwoord   She works slowLY.
 

Onregelmatige vormen:

  1. dezelfde vorm als het bijvoeglijk naamwoord: cheap, fast, long, hard, late, loud, wrong, daily, weekly, monthly, lately, yearly
    She works fast. (bijwoord)
  2. Bijwoord van good  is well
She is a good violin player. (bijvoeglijk naamwoord) She plays the violin well. (bijwoord)
 

LET OP SPELLING als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op:

1.
medeklinker + le
terrible-terribly (e vervalt)
2.
ll
full-fully (alleen y toevoegen)
3.
medeklinker + y
ready-readily ( y verandert in i)
4.
stomme e
true-truly (stomme e vervalt)
5.
able of ible
considerable-considerably ( e vervalt)

many, much, little, few, a lot of, lots





A lot of, lots of, much en many betekenen allemaal veel.
  
A lot of
Je kunt a lot of voor verschillende soorten zinnen gebruiken, bij woorden die je wel of niet kunt tellen:
  • He won a lot of money.(Hij won veel geld.)
  • I have a lot of books.(Ik heb veel boeken.)
  • We always have a lot of people visiting our town.(Wij hebben altijd veel bezoekers in onze stad.)
Een variant van a lot of is lots of:
  • He earns lots of money.(Hij verdient veel geld. / Hij verdient bergen geld.)
 
Maar let op:
vooral in vragende en ontkennende zinnen wordt vaak "much" gebruikt. Zie hieronder.

 
Much
Much gebruik je bij woorden die je niet kunt tellen:
  • Here's coffee. You can take as much as you want.(Hier staat koffie. Je kunt zo veel nemen als je wilt.)
  • He couldn't give me much advice.(Hij kon me niet veel advies geven.)
  • How much food is left?(Hoeveel eten is er over?)
 
Many
Bij zaken die je wel kunt tellen:
  • Did you get many phone calls on your birthday?(Heb je veel telefoontjes gehad op je verjaardag?)
  • There aren't many tigers left in the wild.(Er zijn niet veel tijgers meer in het wild.)
  • Many people drive too fast.(Veel mensen rijden te hard.)
  • I ate too many apples today. (Ik heb te veel appels gegeten vandaag.)
Little, few
 
Little en few betekenen allebei weinig.
Little
Kun je NIET tellen
  • We had to hurry, so there was little time for shopping.(We moesten opschieten, dus er was weinig tijd om te winkelen.)
Few
Kun je wel tellen
  • People had few remarks after my speech.(Men had een paar opmerkingen na mijn toespraak.)


WORD ORDER-WOORDVOLGORDE THEME 2


 

 


WORD ORDER
Normale woordvolgorde in het Engels:
ONDERWERP
GEZEGDE
MEEW. VWP
LIJD. VWP
BEPALING PLAATS
BEPALING TIJD
He
has given
her
some flowers
in London
Yesterday.
They
will send
me
a brochure
 
Tomorrow.
 
Meewerkend voorwerp komt NA het lijdend voorwerp als er TO voor staat:
He has given some flowers to her.
 
DUS:
WOORDVOLGORDE BIJ NORMALE (BEVESTIGENDE)ZINNEN:
Onderwerp à          werkwoord(en) à    rest
He                              has given                  me a present
WOORDVOLGORDE BIJ VRAGENDE ZINNEN:
Hulpwerkwoordenà          onderwerpà            hoofdwerkwoord à            rest
Has                                        he                               given                                     me a present?
 
Let op 1!
Als er geen hulpwerkwoord in de zin staat gebruik je een vorm van DO:
Tegenwoordige tijd:            DO  of DOES (gevolgd door het hele werkwoord)
Verleden tijd : DID (gevolgd door het hele werkwoord
Woont hij in Roermond?                          Does he live in Roermond?
Woon jij in Herkenbosch?                        Do you live in Herkenbosch?
Ging hij gisteren naar de stad?                Did he go to town yesterday?
 
Let op 2!
De Nederlandse woordvolgorde is vaak heel anders dan de Engelse woordvolgorde. Werkwoorden staan, anders dan in het Nederlands, zoveel mogelijk bij elkaar.
Mijn zus kijkt vaak naar thrillers.              My sister often watches thrillers.
Ik heb hem op het station ontmoet.         I have met him at the station
 
Bepalingen van PLAATS en TIJD staan meestal aan het einde van de zin:
PLAATS:       He met me in a restaurant. (waar)
TIJD:              He visited me yesterday. (wanneer)
 
Bepalingen van PLAATS komen  vóór TIJD:
He drove too fast in the streets of London (plaats) at midnight (tijd).
 
Bepalingen van tijd kunnen ook vooraan in de zin staan:
TIJD:   Yesterday he went to London.
TIJD:   He went to London yesterday.
 
Als er meerdere bepalingen van TIJD of PLAATS in de zin staan  dan komt de nauwkeurigste tijdsbepaling vóór de minder nauwkeurige:
We’ll meet her on the corner of the Highstreet (plaats) in London (plaats) at seven o’clock (tijd) tomorrow (tijd).
 

 


EXERCISES 1:

ZET DE ONDERSTAANDE ZINNEN IN DE JUISTE VOLGORDE


  1. children/ very much/ I/ like.
  2. Susan/ her penfriend/ every week/ a letter/ writes.
  3. their holidays/ in Spain/ they spent/ last year/ in November.
  4. to London/ for a few days/ he’s going.
  5. bought/ some shirts/ yesterday/ in town/ I.
  6. in the kitchen/ a kiss/ gave/ Joan/ me/ at four o’clock/ yesterday.
  7. at seven/ can come/ They/ to my house/ tomorrow.
  8. to her/ I/ my pen/ have given.
  9. in springtime/ You/ can see/ in Holland/ many tulips.
  10. in Rome/ I/ two years/ spent.