donderdag 20 oktober 2016

WORD ORDER-WOORDVOLGORDE THEME 2


 

 


WORD ORDER
Normale woordvolgorde in het Engels:
ONDERWERP
GEZEGDE
MEEW. VWP
LIJD. VWP
BEPALING PLAATS
BEPALING TIJD
He
has given
her
some flowers
in London
Yesterday.
They
will send
me
a brochure
 
Tomorrow.
 
Meewerkend voorwerp komt NA het lijdend voorwerp als er TO voor staat:
He has given some flowers to her.
 
DUS:
WOORDVOLGORDE BIJ NORMALE (BEVESTIGENDE)ZINNEN:
Onderwerp à          werkwoord(en) à    rest
He                              has given                  me a present
WOORDVOLGORDE BIJ VRAGENDE ZINNEN:
Hulpwerkwoordenà          onderwerpà            hoofdwerkwoord à            rest
Has                                        he                               given                                     me a present?
 
Let op 1!
Als er geen hulpwerkwoord in de zin staat gebruik je een vorm van DO:
Tegenwoordige tijd:            DO  of DOES (gevolgd door het hele werkwoord)
Verleden tijd : DID (gevolgd door het hele werkwoord
Woont hij in Roermond?                          Does he live in Roermond?
Woon jij in Herkenbosch?                        Do you live in Herkenbosch?
Ging hij gisteren naar de stad?                Did he go to town yesterday?
 
Let op 2!
De Nederlandse woordvolgorde is vaak heel anders dan de Engelse woordvolgorde. Werkwoorden staan, anders dan in het Nederlands, zoveel mogelijk bij elkaar.
Mijn zus kijkt vaak naar thrillers.              My sister often watches thrillers.
Ik heb hem op het station ontmoet.         I have met him at the station
 
Bepalingen van PLAATS en TIJD staan meestal aan het einde van de zin:
PLAATS:       He met me in a restaurant. (waar)
TIJD:              He visited me yesterday. (wanneer)
 
Bepalingen van PLAATS komen  vóór TIJD:
He drove too fast in the streets of London (plaats) at midnight (tijd).
 
Bepalingen van tijd kunnen ook vooraan in de zin staan:
TIJD:   Yesterday he went to London.
TIJD:   He went to London yesterday.
 
Als er meerdere bepalingen van TIJD of PLAATS in de zin staan  dan komt de nauwkeurigste tijdsbepaling vóór de minder nauwkeurige:
We’ll meet her on the corner of the Highstreet (plaats) in London (plaats) at seven o’clock (tijd) tomorrow (tijd).
 

 


EXERCISES 1:

ZET DE ONDERSTAANDE ZINNEN IN DE JUISTE VOLGORDE


  1. children/ very much/ I/ like.
  2. Susan/ her penfriend/ every week/ a letter/ writes.
  3. their holidays/ in Spain/ they spent/ last year/ in November.
  4. to London/ for a few days/ he’s going.
  5. bought/ some shirts/ yesterday/ in town/ I.
  6. in the kitchen/ a kiss/ gave/ Joan/ me/ at four o’clock/ yesterday.
  7. at seven/ can come/ They/ to my house/ tomorrow.
  8. to her/ I/ my pen/ have given.
  9. in springtime/ You/ can see/ in Holland/ many tulips.
  10. in Rome/ I/ two years/ spent.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten